Informatie

Wettelijke status
De productie van voer voor landbouwhuisdieren is vergunningplichtig. Dit blijkt uit bijlage 1, categorie 9.4 van het Besluit Omgevingsrecht. IPPC-installaties moeten voldoen aan de BREF voedingsmiddelen, dranken en zuivel. De luchtvoorschriften uit afdeling 2.3 kunnen van toepassing zijn voor vergunningplichtige bedrijven. Meer informatie staat in de handleiding luchtemissies bij bedrijven.

De productie van petfood is niet vergunningplichtig behalve als het gaat om een IPPC-installatie. De activiteit ‘industrieel bewerken en vervaardigen van voedingsmiddelen’ van het Activiteitenbesluit milieubeheer is van toepassing. Deze activiteit geldt niet voor IPPC-installaties. IPPC-installaties moeten voldoen aan de BREF voedingsmiddelen, dranken en zuivel.

Geschiedenis
De vervallen Nederlandse emissie Richtlijn (NeR) bevatte een bijzondere regeling over de diervoederindustrie. Deze bijzondere regeling was in 1996 gemaakt en in 1998 en 2007 gewijzigd. De NeR bestaat niet meer nds 1 januari 2016. De NeR en de hierin opgenomen bijzondere regelingen zijn nog wel beschikbaar op de pagina NeR archief.

Toepassingsgebied 
De afspraken zijn van toepassing op de productie van mechanisch verdichte diervoeders voor landbouwhuisdieren. De verdichting van het diervoeder vindt plaats in de voorverdichter of in de pers. 

De afspraken zijn van toepassing op:

  • veevoer met maximaal 5 gewichtsprocent aan dierlijk vet. Dit percentage is van toepassing op de samenstelling van het mengvoer vóór het persen. Reken het gebruik van dierlijk vet ná het koelen hierbij niet mee. Dit heeft namelijk geen invloed op de geuremissie. Het percentage vet van het eindproduct kan dus hoger zijn dan 5%. Achteraf zijn beide hoeveelheden kwantificeerbaar te traceren aan de hand van de receptuur en de gebruikte hoeveelheden grondstoffen; 
  • veevoer met maximaal 60% vismeel in het ruweiwit;
  • meeltemperatuur is niet hoger dan 90°C. Bij een hogere meeltemperatuur zijn de formules van deze pagina niet bruikbaar voor het bepalen van de geurvracht. De geurvracht kan dan bepaald worden op basis van geuremissiemetingen onder representatieve omstandigheden. Het karakter van de geur (hedonische waarde) verandert niet door productie van voer met een meeltemperatuur hoger dan 90°C. Het toetsingskader bij hoge of lage meeltemperatuur kan dus het zelfde zijn.

De afspraken zijn niet bruikbaar voor de productie van diervoedersoorten zoals petfood (voeding voor kleine huisdieren) en visvoer. Ook is de informatie niet bruikbaar op het louter mengen van diervoeder(grondstoffen) zonder verdere nabewerking.

Geuremissiefactoren
Geuremissiefactoren staan onder het menu Emissiefactoren van deze website. De basis van deze geuremissiefactoren zijn emissies van koelers van persinstallatie(s). De eenheid is in ouE/ton product. De geuremissiefactoren zijn afhankelijk van de geproduceerde hoeveelheid voer per diersoort, het eiwitgehalte en de meeltemperatuur. Er zijn geuremissiefactoren voor geperste voeders voor de volgende diersoorten: 

  • varkens; 
  • pluimvee; 
  • rundvee en overige landbouwhuisdieren. 

Landbouwhuisdieren:
Landbouwhuisdieren worden gehouden in verband met de productie van bijvoorbeeld melk, vlees, wol, veren of eieren of in verband met het berijden van dieren. Bijvoorbeeld paarden, rundvee, schapen, geiten, varkens, kippen, eenden, pelsdieren, konijnen, parelhoenders, paarden, struisvogels, waterbuffels, herten, lama’s en fazanten - mits ze voor productiedoeleinden worden gehouden. Denk aan een paardenmanege, een stoeterij, een veehouderij en dergelijke.

Geen landbouwhuisdieren zijn in ieder geval wormen, kokkels, vissen, muizen, cavia’s, bijen, siervogels, duiven, katten en honden.

Het kan voorkomen dat dieren bij het ene geval wel als landbouwhuisdier worden gehouden en in het andere geval niet. Bijvoorbeeld herten. De herten kunnen voor het vlees worden gehouden - dan zijn het landbouwhuisdieren. Worden de herten voor de sier gehouden, dan zijn het geen landbouwhuisdieren.

Achtergrondinformatie over onder andere de emissiefactoren staat in de volgende rapporten:

Deze rapporten zijn opgesteld onder verantwoordelijkheid van Nevedi. 

Achtergrondinformatie rapporten
De emissiefactoren zijn in 2007 vastgesteld en in 2015 geëvalueerd. Buro Blauw heeft in 2013 en in 2014 aanvullende metingen uitgevoerd aan diervoersoorten met een eiwitgehalte groter dan 22% (Buro Blauw, rapport nr BL2014.7161.01-V01, juli 2014). Dit was in het kader van de evaluatie van de bijzondere regeling diervoederindustrie. De totale dataset van bestaande en aanvullende metingen bevat 60 geuremissiemetingen. Deze 60 metingen zijn gelijk verdeeld over de diervoedercategorieën en het eiwitgehalte van de diervoeders.

Met deze dataset heeft het adviesbureau Zetadec het bestaande geuremissie model statistisch herijkt. Een belangrijke conclusie is dat de geuremissiefactoren beschreven in paragraaf 4.5 van het rapport “Herziening bijzondere regeling diervoederbedrijven”, niet kloppen voor:

  • varkensvoer met een eiwitgehalte groter dan 20%
  • pluimveevoer met een eiwitgehalte groter dan 26%
  • rundveevoer met een eiwitgehalte groter dan 21%

Berekening geuremissies
De diervoederindustrie kenmerkt zich door een zeer gevarieerd – veelal klantspecifiek – samengesteld productiepakket. Hierbij treden grote verschillen in geuremissie op tussen de verschillende productievarianten. De gebruikelijke benadering voor geuremissies bij vergunningverlening, waarbij uitgegaan wordt van de bedrijfssituatie met de hoogste geuremissie, is daarom niet toepasbaar op de geuremissies van diervoederbedrijven. Op deze website wordt een benadering voorgesteld die uitgaat van de jaargemiddelde geuremissie per uur. De berekening kunt u vinden in het menu Werkwijze. Tegelijkertijd zijn voorschriften geformuleerd die er voor zorgen dat er geen onaanvaardbaar hoge piekemissies optreden. Deze voorschriften werken alleen bij bedrijven waarvan de maximaal mogelijke geuremissie niet meer dan een factor 5 afwijkt van de jaargemiddelde geuremissie. Bedrijven met één productielijn en een gevarieerd productiepakket kunnen hier mogelijk niet aan voldoen. Voor deze bedrijven moet bij de vergunningverlening extra aandacht besteed worden aan voorschriften ter beperking van piekemissies.

Geurhinderniveau 
De geurvoorschriften van artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn van toepassing. 

Het algemene uitgangspunt is het voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder (lid 1). Het bevoegd gezag beoordeelt welke mate van geurhinder nog aanvaardbaar is. Aspecten die het bevoegd gezag hierbij meeweegt staan in lid 3 van artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

De informatie waarover het bevoegd gezag beschikt kan onvoldoende zijn om de beoordeling te kunnen maken. In dat geval kan het bevoegd gezag het bedrijf vragen om een geuronderzoek (lid 2). Bij onaanvaardbare geurhinder kan het bevoegd gezag aanvullende eisen stellen in een maatwerkbesluit (lid 4).

Een uitgebreide toelichting hierop staat in ‘afdeling 2.3 – geurvoorschriften’ van de handleiding geur.

Het bevoegd gezag bepaalt dus welk hinderniveau nog aanvaardbaar is. Wat aanvaardbaar is kan het bevoegd gezag vastleggen in lokaal beleid. Het bevoegd gezag kan ook aansluiten bij de normen uit de vervallen bijzondere regeling uit de Nederlandse Emissie Richtlijn, beschikbaar op de pagina NeR archief.

Voorstel aanvaardbaar hinderniveau
Met de omgevingsdiensten zijn afspraken gemaakt over het te hanteren aanvaardbaar hinderniveau. Hierbij is aansluiting gezocht bij de geldende normen uit de vervallen Bijzondere Regeling B3.
Bij geurgevoelige objecten geldt als aanvaardbaar hinderniveau een geurbelasting met een maximum van:

  • 1,4 ouE/m3 als 98-percentiel voor bestaande situaties; 
  • 0,7 ouE/m3 als 98-percentiel voor nieuwe situaties. 

Bij minder geurgevoelige objecten kan het bevoegd gezag op grond van lokale overwegingen een aangepast beschermingsniveau kiezen. Zo kan het bevoegd gezag besluiten welke geurbelasting aanvaardbaar is, bijvoorbeeld tot een maximum van:

  • 2,8 ouE/m3 als 98-percentiel voor bestaande situaties;
  • 1,4 ouE/m3 als 98-percentiel voor nieuwe situaties. 

Het bevoegd gezag betrekt hierbij de historie van de activiteit.

In de diervoederindustrie treden grote verschillen in geuremissie op tussen de verschillende productievarianten. De gebruikelijke benadering voor geuremissies bij vergunningverlening, waarbij uitgegaan wordt van de bedrijfssituatie met de hoogste geuremissie, is daarom niet toepasbaar op de geuremissies van diervoederbedrijven. Om desondanks piekemissies te limiteren, is afgesproken dat de geuremissie per periode van vier weken [of een maand] maximaal een factor 4 hoger mag zijn dan 1/13 deel [of 1/12 deel] van de geuremissie per jaar.

Het Kennisalliantie Geur Overheden (KaGO) heeft standaard vergunningvoorschriften voor diervoederbedrijven opgesteld. Hierin is een voorbeeld opgenomen op welke wijze het bevoegd gezag om kan gaan met het aspect van de fluctuerende emissies. De voorschriften zijn opgesteld in overleg met de branche. Deze vergunningvoorschriften staan onder Modelvoorschriften.

Nieuwe en bestaande situaties
In deze afspraken wordt voor het toetsingskader onderscheid gemaakt tussen nieuwe en bestaande situaties. Voor nieuwe situaties wordt een strenger aanvaardbaar hinderniveau voorgesteld dan voor bestaande situaties.

Er is sprake van een nieuwe situatie als de geurbelasting t.g.v. de productie van diervoeder toeneemt. Bijvoorbeeld:

  • bij de oprichting van een bedrijf, of
  • wanneer het bedrijf voor de eerste keer een omgevingsvergunning (milieu) aanvraagt, of
  • bij uitbreiding/wijziging van een bedrijf waarbij de geurbelasting op de omgeving als gevolg van de inrichting toeneemt ten opzichte van de geurbelasting als gevolg van de aan de inrichting vergunde activiteiten. 

De uitbreiding van de productiecapaciteit (de verruiming van het aantal bedrijfsuren en/of het toevoegen van een nieuwe perslijn) hoeft dus niet tot een nieuwe situatie te leiden. Wanneer de nieuwe perslijn wordt gecombineerd met andere maatregelen, kan de geurbelasting als gevolg van de aangevraagde situatie immers lager zijn dan in de vergunde situatie. Dit betekent tevens dat het niet aan te bevelen is om bij een uitbreiding van een bestaande situatie een hogere geurbelasting dan vergund aan te vragen. Dit zou immers leiden tot een strengere normering, namelijk die voor een nieuwe situatie.

Er is sprake van een bestaande situatie als de geurbelasting als gevolg van de inrichting op de omgeving gelijk blijft of afneemt ten opzichte van de geurbelasting als gevolg van de vergunde activiteiten. 

Voor de beoordeling of sprake is van een nieuwe situatie of een bestaande situatie dient de geurbelasting als gevolg van de vergunde activiteiten op dezelfde manier te worden berekend als de geurbelasting als gevolg van de inrichting inclusief de aangevraagde bedrijfsactiviteiten. Beide berekeningen worden uitgevoerd volgens de meest recente inzichten (kentallen, modelkeuzes conform NTA9065). Het is om die reden niet mogelijk om voor de geurbelasting als gevolg van de vergunde activiteiten te verwijzen naar de vigerende vergunning of de aanvraag van de vigerende vergunning.

Geurgevoelig object
Het Activiteitenbesluit milieubeheer verwijst voor de definitie van het geurgevoelig object naar de Wet geurhinder en veehouderijen. Het bevoegd gezag moet deze definitie aanhouden om te bepalen wat een geurgevoelig object is. Wel bepaalt het bevoegd gezag zelf welke mate van geurhinder zij als aanvaardbaar beschouwen. Bijvoorbeeld, het bevoegd gezag kan op een bedrijventerrein een lager niveau van bescherming als aanvaardbaar beschouwen dan voor een woonwijk.

Toezicht en handhaving 
De toezicht en handhaving kan op basis van emissies die zijn bepaald aan de hand van de vergunde immissienorm en de daarbij behorende bedrijfstijden, diervoedersoort, eiwitgehalte en meeltemperatuur. Hierbij kan het bevoegde gezag het diervoederbedrijf voorschrijven een administratie van de geproduceerde diervoeders bij te houden. Met deze administratie kan het bedrijf periodiek, of op verzoek van het bevoegde gezag, de voortschrijdende jaargemiddelde geuremissie per uur berekenen. In het menu Modelvoorschriften staan voorbeeldvoorschriften die het bevoegd gezag op kan nemen in een maatwerkbesluit of vergunning.

Het bedrijf kan deze administratie bijhouden in een spreadsheet.

Diervoederbedrijven bewaren minimaal 5 jaar de relevante gegevens zoals meeltemperatuur, toegevoegde hoeveelheden vet en eiwit en dergelijke. Als het bevoegd gezag hier om vraagt, stelt het bedrijf deze gegevens ter beschikking.

Als het bevoegd gezag controle metingen van de geuremissie van een diervoederbedrijf uitvoert dan geldt hierbij het volgende:

  • bij metingen uitgevoerd aan een specifiek diervoedersoort: de gemeten geuremissie kan vergeleken worden met de – met de geuremissiefactoren – berekende geuremissie van dat voersoort. Er is sprake van een significante afwijking als de gemeten geuremissie buiten het interval valt zoals gerapporteerd in het onderzoek van Zetadec uit 2015; 
  • Bij vergelijking gemeten geuremissie per uur met de juridisch toegestane jaargemiddelde geuremissie per uur: er is sprake van een significante afwijking als de gemeten geuremissie meer dan een factor 5 groter is dan de jaargemiddelde geuremissie.

In beide situaties geldt dat de gemeten geuremissie gecorrigeerd wordt voor de meetonzekerheid. 

Meetmethoden
De meeltemperatuur wordt gemeten (na de uitloop van de stoommixer) bij de inloop van de eerste verdichtingsstap. Dit kan zijn een voorverdichter, een bovenpers of de pers.

Het gehalte aan ruw eiwit in diervoeder is te bepalen op basis van het stikstofgehalte, bepaald volgens de Kjeldahl-methode . (Richtlijn nr 93/28/EEG van de Commissie van 4 juni 1993 tot wijziging van bijlage I bij de derde Richtlijn 72/199/EEG van de Commissie betreffende de vaststelling van gemeenschappelijke analysemethoden voor de officiële controle van diervoeders. Publicatieblad van de EG 22-7-1993; Nr L 179/8-10). 

Geuremissiemetingen mogen alleen uitgevoerd worden door daartoe geaccrediteerde meetinstanties:

  • Uitvoering meting: NEN-EN 15259, meetplan meetvlakbeoordeling, rapportage;
  • Afgaskarakteristieken: ISO 10780, afgassnelheid, temperatuur, druk vochtgehalte en debiet;
  • Monstername geur: NEN-EN 13725, bemonstering in nalofaan gaszak met long volgens de NTA 9065 Meten en rekenen geur;
  • Geurconcentratie: NEN-EN 13725, olfactometrie;
  • Hedonische waarde: NVN 2818, beoordeling door geurpanel in een laboratorium.